Een gesprek met Lonneke van Uden, docent Engels en aanjager van schoolbreed EF-beleid, en twee van haar leerlingen.
Lonneke van Uden geeft al twintig jaar Engels op het Theresialyceum in Tilburg. Maar de afgelopen jaren is er iets veranderd in hoe ze naar haar leerlingen kijkt. Steeds vaker merkte ze dat leerlingen moeite hadden om te beginnen, de aandacht erbij te houden, door te zetten of vast liepen. Dat kon ze vanuit haar vak alleen niet verklaren.
“Wat ik dus belangrijk vind, is om achter dat gedrag te kijken en te denken: aan welke knopjes kunnen we misschien draaien om iets wél voor elkaar te krijgen?”
Dat inzicht bracht haar bij het thema executieve functies. De regelfuncties in de hersenen die leerlingen helpen bij onder andere plannen, organiseren, beginnen met taken, omgaan met emoties en zichzelf sturen. Samen met de afdelingsleider van jaarlaag 1 schreef ze een plan. Want hoe veranker je executieve functies effectief in een school?
Van één klas naar de hele school
Het begon bescheiden: scholing voor collega’s, bewustwording creëren, dezelfde taal leren spreken. Inmiddels zijn alle onderbouwklassen betrokken bij het traject. Lonneke legt uit dat er twee sporen lopen.
Het eerste spoor zijn de mentorlessen. Daarin leren leerlingen wat executieve functies zijn, waarom ze belangrijk zijn, en hoe het er bij henzelf voorstaat. Hiervoor zet de school Crelo in, een instrument waarmee leerlingen, ouders en docenten een leerling inschatten op verschillende EF’s.
“Crelo wordt gebruikt om de executieve functies in beeld te krijgen en om daar vervolgens persoonlijk mee aan de slag te gaan.”
Het tweede spoor is de transfer naar de vaklessen. Want kennis over executieve functies heeft alleen effect als leerlingen het ook echt oefenen.
“De leerling gaat pas oefenen als dit elke keer terugkomt. Die taakinitiatie, je kunt heel goed weten wat het is. Maar je gaat pas oefenen als de docent wiskunde zegt: we gaan nu starten met opgave 6, en je moet daadwerkelijk starten met je taak.”

Wat leerlingen meenemen
Twee leerlingen uit klas 2 vertellen enthousiast over hoe het in de praktijk werkt. Aan het begin van het jaar vulden ze via Crelo een vragenlijst in, ook hun ouders deden mee. Daarna kregen ze een persoonlijk rapport terug.
“Je kreeg uitslagen over waar je goed in was en waar je iets minder in was. Dat was wel fijn, want dan had je een overzicht. Als het dan niet zo goed ging op school, kon je kijken waar dat misschien aan lag.”
Eén van de leerlingen herinnert zich nog goed hoe verrassend het was om de resultaten te zien:
“Sommige dingen waarvan ik dacht dat ik er best goed in was, gingen misschien iets slechter dan ik dacht. Of juist andersom: dat ik dacht dat ik er slecht in was, maar dat ik er eigenlijk best goed in was.”
Het inzicht leidde niet alleen tot zelfkennis, maar ook tot concrete actie. De leerlingen werkten in de mentorlessen aan een concreet plan waarin ze één actie formuleerden die bewust aandacht zou gaan krijgen die komende periode. Ze schreven dit op kaartjes en stickers in hun agenda zodat dit doel bleef terugkomen. Als het bij een vak niet goed ging, konden ze terugkijken: ligt het aan mijn aandacht? Aan mijn werkgeheugen? En wat kan ik daar dan aan doen?
“Als het slecht gaat, zou het misschien hieraan kunnen liggen. Dan stond er in de agenda hoe je dat kunt verbeteren”
Zichtbaarheid in de hele school
Naast lessen en het gebruik van Crelo werkt het Theresialyceum ook aan de zichtbaarheid van executieve functies door het hele gebouw. In alle lokalen hangen overzichten van de EF’s. In de hal zijn visuals aangebracht op de borden. En elke maand verschijnt er in de interne nieuwsbrief een “EF van de maand”. Ook voor ouders wordt de EF van de maand onder de aandacht gebracht middels een stukje in de oudernieuwsbrief, zodat het thema ook thuis bespreekbaar wordt.
Een onverwacht bijeffect: leerlingen uit de bovenbouw, die nog niet in het traject zitten, worden nieuwsgierig. Ze vragen wat die posters betekenen. Ze raken betrokken.
“Die worden nieuwsgierig. Waarom hangt dat daar? Wat is dat dan? Daar gaan collega’s ook over vertellen. Dus die krijgen er ook al wel iets van mee.”
Gesprekken met meer kwaliteit
Een van de opvallendste effecten zit in hoe er over leerlingen wordt gesproken. Leerlingcoördinatoren geven terug dat het benoemen van gedrag concreter is gemaakt.
“Eerder was het vaker in het negatieve: druk, ongeconcentreerd, luistert nooit. Nu kunnen we veel gerichter zeggen: die reactie-inhibitie lijkt hier echt op te spelen. Het is echt belangrijk om te leren: eerst even nadenken, dan pas doen. Dus je kunt het positiever insteken, groeigericht insteken.”
Ook het Crelo-rapport speelt daar een rol in. Ouders vullen het instrument ook in voor hun kind. Zo ontstaat er een vergelijking: hoe ziet de school het? Hoe ziet de leerling het zelf? Hoe ziet de ouder het? Voortgangsgesprekken komen daardoor sneller tot de kern.
Wat hadden we anders kunnen doen?
Lonneke is eerlijk over de hobbels onderweg. Tijd is de grootste uitdaging. Voor scholing, voor ontwikkeling, voor het warm houden van wat al loopt. Niet alle collega’s omarmen het even snel. En het borgen van wat er is opgebouwd vraagt voortdurende aandacht.
Haar belangrijkste advies aan andere scholen is dan ook: begin klein.
“Wij zijn heel groot begonnen, wat soms ook tot frustraties heeft geleid en ook veel heeft gevraagd van collega’s. Begin klein. Want het is nooit af, het is ook nooit helemaal goed. Maar alles wat je hiervoor inzet, helpt al. Al begin je maar met alleen een vragenlijst, zodat het al een keer de aandacht heeft.”
Verder benadrukt ze het belang van aansluiting bij wat er al is. Crelo gebruiken ze om op klas- en jaarlaagniveau te vergelijken. De pictogrammen van Leren Leren Nederland verwerken ze in hun eigen mentorboekje en in de powerpointpresentaties van docenten. Zo wordt het geen extra laag, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de school.
“Het is niet het wiel opnieuw uitvinden. Het is handig gebruik maken van de verschillende middelen die er zijn. En Crelo is fantastisch voor ons, zeker om op klasniveau en ook op jaarlaagniveau te kunnen vergelijken.”
Het Theresialyceum laat zien dat een schoolbrede aanpak van executieve functies niet van de ene op de andere dag staat, maar dat elk klein stapje telt. Voor leerlingen die voor het eerst inzicht krijgen in hoe ze werken, kan dat stapje een groot effect hebben.